ALS EEN MOSTERDZAAD.
"En Jezus zeide:
"Waarbij zullen wij het Koninkrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis
zullen wij het vergelijken? Namelijk bij een mosterdzaad, hetwelk,
wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van alle zaden, die op
de aarde zijn; en wanneer het gezaaid is, gaat het op, en wordt het meeste,
van alle de moeskruiden, en maakt grote takken, alzo dat de vogelen des hemels
onder zijn schaduw kunnen nestelen”. (Mark. 4: 30-32)
"En de Here zeide: “Zo gij een geloof had als een mosterdzaad, gij zoudt tegen deze moerbeziënboom
zeggen: “Wordt ontworteld en in de zee geplant, en, hij zou u gehoorzaam zijn”.
(Luc.17:6)
De Here Jezus sprak dat het Koninkrijk Gods is "als een mosterdzaad", en dat wij met een zeer klein geloof,als een mosterdzaad onder de zaden, grote, zeer grote dingen kunnen verrichten.
De gelijkenis van het mosterdzaad is er een, die tegelijk geschiedkundig en profetisch is. Het zaad in de aarde geworpen, in de uitgesproken gelijkenis even tevoren, toonde ons het werk van de genade in het hart; het mosterdzaad toont ons de voortgang van de Kerk van Christus in de wereld.
Een mosterdzaadje was bij de Joden een spreekwoordelijke uitdrukking voor iets, dat heel klein en onbeduidend was. De Heer noemt het "het minste van alle zaden, die op aarde zijn"
Tweemaal in het Evangelie horen wij de Heer dit beeld
gebruiken, wanneer hij spreekt van een zwak geloof. Matth.17:20,
Luc.17:6)
Het was ongetwijfeld voor de Joden een zeer bekend beeld, hoe vreemd het ons misschien in de oren mag klinken.
Hier, zowel als op andere plaatsen, toont ons de Zoon van God de wijsheid, om woorden en beelden te gebruiken die aan de hoorders goed bekend zijn.
Moeilijk zou men een zinnebeeld kunnen vinden, dat méér getrouw de geschiedenis van de zichtbare kerk van Christus weergeeft, dan het mosterdzaad.
Het mosterdzaad is een zeer klein zaad, maar nochtans wordt het, gezaaid zijnde, een zeer grote plant.
Wellicht zijn we in de gelegenheid geweest om zulk een zaadje te zien en, ook zulk een plant in haar volle wasdom, en hebt ge u verwonderd over de ontwikkeling van dat kleine zaadje.
Welnu, het koninkrijk van God wordt hierbij vergeleken.
Wát is het koninkrijk Gods?
Wij willen hierop het woord van apostel Paulus toepassen: “Het geestelijke is niet eerste, maar het natuurlijke, en
daarná het geestelijke”. (1 Cor. 15:46).
Wat een koninkrijk is, dat weten wij wel. Het aardse koninkrijk, zoals wij dat kennen, is een volk, wonende in een land dat zijn eigen karakter en regering heeft.
Het heeft een grondwet waaraan zelfs de koning is gebonden; deze grondwet komt voort uit het volk.
De regeerders, uit het volk voortgekomen, kunnen deze grondwet wijzigen wanneer zij dat, naar omstandigheden, nodig achten.
Het koninkrijk Gods, is een rijk van God waarvan Hijzelf de Oprichter en Bestuurder is.
Hijzelf heeft het een grondwet gegeven waaraan Hij Zichzelf ook heeft verbonden.
De oprichting van dat koninkrijk vinden we bij Israël.
Op de berg Sinaï gaf de Here God de grondwet aan het volk, door middel van Mozes.
Die grondwet mag niet dóór, of náár de willekeur van de mensen, worden veranderd.
De Here God Zélf heeft daartoe de tijd bepaald, dat niet de mensen, maar Hijzelf dit doen zou. Dat Koninkrijk heeft een eeuwig burgerrecht, zodat, wie tot dat Koninkrijk behoort, de eeuwige zegen daarvan genieten kan, wanneer hij trouw blijft aan de orde daarvan.
Het Koninkrijk dwingt zijn burgers tot gehoorzamen, want gelijk het is, in dit aardse koninkrijk, zo is het ook in het Godsrijk: iedere burger heeft zijn plichten, en wanneer er gevaar dreigt, dan wordt een elk ten strijde opgeroepen.
Het moet voor de burgers een eer zijn, om geregeerd te worden door de Here God, Die altijd het goede voor Zijn volk zoekt.
"Als een mosterdzaad". De Here God is altijd begonnen mét en ín het kleine.
De Grote Schepper, Die slechts te gebieden heeft en het staat er, en te spreken en het is er, heeft niet van alles een grote hoeveelheid geschapen, wat Hem slechts één Woord gekost zou hebben. Hij schept van alles slechts weinig, hoogstens een paar.
Van de mens schiep Hij ook slechts één persoon, en uit die éne heeft Hij het ganse menselijke geslacht doen voortkomen. Tot al wat Hij schiep, was Zijn Woord: "Weest vruchtbaar en vermenigvuldig".
Dit machtwoord heeft zijn kracht behouden, en is ongewijzigd tot op deze dag. Lees maar het hoofdstuk van Genesis.
De Here God sprak dat over mens en dier, en ook over alle zaden, ook over het kleine mosterdzaad.
Dat de Here God de veelheid niet nodig heeft tot Zijn bestuur, en om besluiten uit te voeren, mogen wij leren uit de zondvloed.
Van elk dier bewaart de Here God een paar, en van de mensen slechts acht, om daarmee opnieuw te beginnen.
De Here God begint Zijn Koninkrijk op te richten met een oude man en een onvruchtbare vrouw (Abraham en Sara). Hij maakt hun geslacht tot een grote boom, waarmee vervuld is geworden, wat Hij had gesproken: dat hun zaad zou worden als de sterren des hemels en het zand aan de oever der zee, hetwelk niet is te tellen. (Gen.22:15-18).
Zo merken wij in het natuurlijke koninkrijk Gods, in Israël opgericht, dat de kracht daarin bestaat dat de Here God sprak: “Zijt vruchtbaar”.
Die vruchtbaarheid is door God aan het schepsel gegeven.
Dit is ook de kracht van Abraham geweest, waaróm hij bleef hopen; ook dan,
wanneer de moeder in Sara was verstorven.
Wat de Here God begint, hóe gering ook, dat geeft vruchtbaarheid.
Wat Hij heeft beloofd, zal Hij vervullen, al schijnt het voor ons onmogelijk en gering.
De Here God doet het kleine groot worden, en, wat voor ons wonderlijk is, dat is voor de Here God eenvoudig.
Wie heeft het wonder van het gezaaide zaad begrepen?
Een, schijnbaar dode korrel, wordt in de aarde weggeworpen, en een geheel ander lichaam Ontspruit uit de aarde.
God, de Almachtige Schepper, heeft het ZO gewild!
De Heer Jezus kwam om het natuurlijk koninkrijk te vervullen. Het was Gods tijd, dat de grondwet van de oude bedeling, vervuld zou worden, en een nieuwe gegeven.
Op de berg Sinaï de WET: “Gij zult,” gegeven; op de berg waar de Heer Jezus gezeten was, daar was het: “Zalig zijt gij, die Mijn stem hoort”.
De oude is vervangen door de nieuwe en een nieuwe regeringsvorm wordt aan de mensheid aangeboden.
Christus zendt Zijn dienaren zoals de Vader Hem had gezonden, en, Hij geeft de volmacht om zonden te vergeven. Enz.
Christus Jezus richt het geestelijk koninkrijk op naar het beeld van het natuurlijke.
Als de Farizeeërs aan de Heer vragen over het komende koninkrijk, wát zegt Hij dan?
Dit: “Het koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat, want zie, het is binnen ulieden”. (Luk.17:20.21).
Dit geestelijk koninkrijk is, zoals al het werk Gods, in het klein aangevangen.
Hóe kwam haar Hoofd en Koning in de wereld?
Hij kwam als een zwak kind, geboren in een kribbe te Bethlehem, zonder rijkdom, zonder legers, zonder gevolg, zonder macht.
Enkele herders hoorden de blijde boodschap des hemels.
Wie zou in dat Kindeke de Verlosser van de wereld hebben aanschouwd?
Niemand immers ?
Hij groeide op te Nazareth en timmerde bij zijn vader.
Hij begint op 30 jarige leeftijd te prediken, maar Zijn burgers werpen Hem de stad uit.
Wie waren zij, die het Hoofd der kerk om Zich heen verzamelde en tot Zijn apostelen benoemde?
Het waren ongeleerde, arme mensen, vissers, tollenaren en dergelijke mensen; naar alle schijn de minst geschikten om in de wereld een ommekeer teweeg te brengen.
Welke was de laatste openbare handeling van het Grote Hoofd Zijner kerk, toen Hij op de aarde was?
Hij stierf de kruisdood als een misdadiger, tussen twee moordenaars, nadat bijna al Zijn discipelen Hem verlaten hadden, terwijl Hij door de éne verraden, en, door de ánder verloochend was.
Welke was de leer die de eerste apostelen, discipelen van hun Heer, uit de opperzaal te Jeruzalem aan de mensen gingen verkondigen?
Het was een leer, die de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid was.
Het was de verkondiging dat het Grote Hoofd van hun nieuwe godsdienst, aan het kruis gestorven en dat zij nochtans DOOR ZIJN DOOD, DE WERELD HET LEVEN aanboden.
Op de Pinksterdag zien wij de weinigen die Hem volgden, bijéén, slechts 120 personen.
Naar de mens gezien kan de menselijke geest niets dan zwakheid en geringheid opmerken, waarlijk het zinnebeeld van het mosterdzaad werd letterlijk bewaarheid en vervuld.
Doch, het zaad werd gezaaid, en, mocht het, in vergelijking met het wereldgebeuren uit die tijd, slechts maar bij een mosterdzaad vergeleken kunnen worden, ook tot het mosterdzaad heeft de Here God gezegd: “Wees vruchtbaar".
Zo ging het ook met het geestelijk Koninkrijk.
"Het mosterdzaad", zegt de Heer,"wanneer het gezaaid is, gaat op, en wordt het meeste van al de moeskruiden".
Het mag ons misschien wonderlijk in de oren klinken, toch is het de waarheid. Geen beeld kon meer treffend van toepassing zijn op de groei en omvang van het geestelijk Koninkrijk in de wereld.
Klein begonnen, is het een grote boom geworden, het begon toe te nemen op de dag van het Pinksterfeest, en wies met een snelheid, waarvoor men geen andere oorzaak kan vinden, dan de MACHT GODS!
Het nam wonderlijk toe, en we verblijden ons, dat Christus op allerlei wijze wordt gepredikt en de gehele wereld wordt verkondigd, dat het een grondwet, én levensregel heeft gekregen naar de orde door God in Christus gesteld.
De mens haakt altijd naar het GROTE der wereld, daarin wil zij de Here God vinden, en hierdoor ziet hij zo gemakkelijk het kleine voorbij.
De massa moet toch de zegen bijzonder ervaren, wij bedoelen: Al is het, dat de mens in de VEELHEID MACHT ziet, zo is de Here God toch getrouw aan de orde, en de vermenigvuldiging, niet anders dan in het begin.
"En de Here zeide: Zo gij een geloof had als een mosterdzaad, gij zoudt...." .
Wat geeft deze uitspraak van de Heer Jezus, én in Luc 17: 6 en in Matth. 17:20 ons allen toch
veel te denken. Wat zien we hierin heel erg ons tekort uitkomen.
Moesten de discipelen van de Heer Jezus het in Luc.17 uitroepen: "Here "Here vermeerder ons het geloof", en in Matth.17, waar de Heer moest zeggen: “om uws ongeloofs wille" ,want, zo gij een geloof had als een mosterdzaad, m.a.w. al was het nog zo klein, toch zoudt gij wonderen doen. Zo gij maar geloof hebt.
Welk geloof?
Hoe groot moet dat zijn?
De Heer zegt het: Als het was als een mosterdzaad, wij zouden tot de moerbeziënbomen en bergen zeggen: Wordt opgeheven en in de zee geworpen, en het zou geschieden.
Ach, hoe zien we ons ongeloof hierin uitkomen; zijn we beter dan de discipelen?
Nee, gerust niet.
Omdat de bergen of bomen, op onze weg staande (dat zijn die dingen, welke wij met het VERSTAND willen overwinnen) niet worden weggenomen, zo hebben wij nog kleiner geloof, dan het kleinste zaad onder de zaden.
Dat moet dus wel een klein geloof zijn, want hoeveel taken vinden we niet op onze geloofsweg, die we maar blijven beredeneren?
Wat geschieden er toch weinig geloofsDADEN. Als wij, ziek zijnde, niet verhoord worden, niet genezen, hoe moeilijk kan het ons dan niet zijn menigmaal, kan het dan niet zijn, dat we ons onrustig gemoed stillen, door te zeggen: "Het zal des Heren wil niet zijn, dat ik beter word". Maar Gods wil is toch dat de mens leeft en vrede heeft.
Alles wat daarmee in strijd is, dat is tegen de wil des Heren, en dus ook ziekte, want dat is een gevolg der zonde.
ALGEMEEN is het, gevolg of de vloek der zonde, dus ook over kinderen Gods, maar daarom wil de Here God hun het geloof schenken, om deze bergen en bomen te verzetten, ja in de zee te werpen.
Wat moet er nog veel aan ons allen gearbeid worden, opdat wij zullen zijn, zoals de Heer ons gaarne ziet, en wij moeten worden. Het moet toch wel kunnen want het is geen mens die het heeft gesproken, maar de Here.
Hoe dan?
Wij moeten geloven in Gods ordeningen. Hij heeft ook ons klein geloof vruchtbaarheid gegeven, doch we moeten het gebruiken, gelijk het zaad gezaaid moet worden, anders kan het niet vruchtbaar zijn.
We moeten ons gebed geloven, dat is: niet staren of de Here God wel geeft, wat wij bidden, maar er op letten, hoe de Here God op ons gebed antwoord geeft.
Als wij vragen, dan is daar een Hoorder, Die het GOEDE voor ons wil. Dat goede geeft Hij, al is het wel eens in andere norm, dan wij het gebeden en verwacht hebben, en DAT is nu juist voor ons mensen meestal zo moeilijk te aanvaarden.
Geloof?
is het niet een stellige, besliste instemming met al de Goddelijke openbaringen?, en een zich onderwerpen Aan, en een vertrouwen IN al de Goddeliike openbaringen?
In het voorval, genoemd in Matth.17, (het niet kunnen genezen van de maanzieke knaap door de discipelen van de Here Jezus) word geloof geëist, en had tot voorwerp of doel, die bijzondere openbaring, door welke de Heer Jezus aan Zijn discipelen macht had gegeven, om in Zijn Naam wonderen te doen, ter bevestiging van de leer, die zij predikten, en het was in geloof aan deze openbaring, dat zij te kort kwamen.
Het Koninkrijk Gods heeft eeuwige vastheid. Onwankelbaar is de Grote Wetgever, maar daarin ligt het grote heilsfeit, dat, WAT Hij gesproken heeft, Hij ook doen zal.
Gelijk Hij het ordende, zal het zijn voor een ieder en te allen tijde.
Hij, de grote Landman zaait ons geloofszaad uit, wij hebben te aanvaarden, HOE het zich naar Zijn orde en almacht ontwikkelt. Wat wij verkregen hebben, mag misschien nog geringer zijn, aan het mosterdzaad; de Here God geeft het de wasdom, wij moeten ons laten zaaien, dat is: het op ons geloof wagen, al gaat het soms, ja menigmaal, over hoogten en door diepten.
Mogen deze regelen meewerken, om ons uit de diepte op te halen, waarin we eigenlijk meestal geneigd zijn te vertoeven, om ons te doen zien naar die geloofshoogte, welke de Here toch van ons, Zijn kinderen verlangt, en moeten we het maar steeds weer horen: "om uws ongeloofs wille", dat we maar steeds uit mogen roepen: “Ik geloof Here, kom mijn ongeloof te hulp."
Mocht het zijn, dat hetgeen we opzingen uit het Gezangvers, (Gez.244:3): “Nooit kan 't geloof teveel verwachten, des Heilands woorden zijn gewis. 't Faalt aardse vrienden vaak aan krachten, maar nooit een vriend als Jezus is. Wat zou ooit Zijne macht beperken?”.
dat DIT onze geloofsKRACHT mag zijn of worden, want dan zou het voor ons zijn:
“Voor hen, die t’heil des Heren wachten, Zijn bergen vlak en zeeën droog,
Geve de Here aan ons allen, dat wij eenmaal tot die geloofshoogte en geloofskracht mogen komen, dan zal de Here God ook de wasdom schenken. Sdj.